Skip to main content

De leer die door Bô Yin Râ aan ons is overgebracht, is niet bedacht door hersenen, maar is oeroude werkelijkheid en oeroude wijsheid, die in de vorm van een leer aan de mensheid op aarde bekendgemaakt moet worden.

De oudste vereniging – of “broederschap van verlichten” bewaart de basiswijsheid van deze gevormde leer in haar heiligdom, en roept degenen op en rust hen uit met haar heilige kennis, die hier op aarde tot meesters moeten worden geboren, om uitgezonden te kunnen worden om het zaad van de werkelijkheidsleer overal te planten.

Slechts weinigen zullen de werkelijkheid erkennen, en zelden zullen onder de luisterenden zij gevonden worden die “beroepsmatig daartoe geroepen” zijn. Zou de op aarde levende mensheid die werkelijkheid op de juiste manier begrijpen en niet alleen het schaduwbeeld geloven dat zij zelf ervan heeft gemaakt, dan zouden liefde en harmonie in haar heersen en zou niet kunnen gebeuren wat nu gebeurt.

De leer van de oeroude werkelijkheid vereist, indien men haar wil volgen, de sterkste consequentie, de sterkste wil en de sterkste zelfdiscipline.

Dagelijks en elk uur moeten wilskracht en zelfbeheersing op hun post zijn! Met dezelfde consequentie waarmee in het aardse leven naar aardse doelen wordt gestreefd, waarbij geen moeite, geen bezwaar, geen gevaar te groot is om hetzelfde te bereiken, moet ook naar het geestelijke, het zielsdoel gestreefd worden, voortdurend en onophoudelijk, maar niet op een krampachtige, zenuwslopende manier, maar in alle rust, terwijl het aardse leven met zijn beroepswerk zo trouw mogelijk wordt vervuld, met beide voeten stevig op de grond en elk ongezond, extatisch gevoel wordt uitgesloten.

Bô Yin Râ is niet de eerste die de oeroude wijsheid verkondigt en daartoe de opdracht heeft gekregen. Wie door zijn boeken ertoe gebracht is om met open zinnen de Bijbel te lezen, herkent verbaasd dat ons die wijsheid van kinds af aan bekend had kunnen zijn, als ze ons niet in dikke omhulsels van menselijke hypothesen was onthouden.

De inhoud van de leer, in welke vorm deze ook aan de mensheid wordt overgebracht, bestaat altijd alleen in de verkondiging van de werkelijkheid van het “rijk Gods der liefde”, in tegenstelling tot het fantasiebeeld daarvan, bedacht door menselijke hersenen. Het gaat er niet om een “wetenschappelijk” gefundeerde religie met complexe gedachtegangen te verklaren, maar de onvoorwaardelijke, van menselijke vervaardiging gezuiverde werkelijkheid te verkondigen, die zich beperkt tot het eenvoudigste, zoals Jezus deze woorden samenvat: “Heb God, uw Heer, lief met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand en uw naaste als uzelf.” De essentie van de leer zijn de andere woorden van hem: “Stel je eerst in op het Koninkrijk van God” (dat je het al hier op aarde in jezelf opneemt en door je wezen belichaamt, het daardoor tentoonstelt en dit aan je te zien is) “en op zijn gerechtigheid” (de vervulling van de goddelijke oerwet van de liefde, die zonder er iets voor te eisen liefheeft) “dan zal alles andere je erbij gegeven worden.”

Dit alleen is voor ons noodzakelijk, als we onze omzwerving door het aardse leven willen vormgeven als een opgang naar het licht.

Bô Yin Râ waarschuwt in zijn boeken voor de uitwassen die ontstaan zijn door het “doorsijpelen” van de pure oerleer uit het Oosten, uit het heiligdom van de oudste broederschap, naar het Westen, en die zich gevormd hebben tot verenigingen, genootschappen, broederschappen en zelfs tot wetenschappen. Dit zijn onjuist begrepen zaken die tot de meest complexe veronderstellingen hebben geleid en de menselijke geest totaal onnodig belasten, zonder dat er veel mee gewonnen wordt.

Hij zegt van zichzelf dat hij tot de hierboven genoemde broederschap behoort en door de leden ervan is uitgekozen, als enige in deze tijd, om de valse leerstellingen en uitwassen in het Westen het hoofd te bieden, namelijk door onder de strengste controle van alle leden de pure leer opnieuw te verkondigen, voor zover deze voor de mensheid begrijpelijk, nuttig en in het heden toepasbaar kan worden. Zijn eigen aardse persoonlijkheid moet hierbij geheel op de achtergrond treden, zoals hij zelf in een brief verklaart: “Ik ben noch alwetend, noch moet ik als een fenomeen van helderziendheid bewonderd worden, maar ik moet slechts mijn medemensen een leer geven, die men als de oergodsdienst van de mensheid mag aanduiden, die iedere persoon die zijn leven daarop afstemt met absolute zekerheid naar het eeuwige licht leidt.”

Op andere plaatsen zegt hij hierover: “Wat de werkers van het licht jullie te bieden hebben, is dezelfde waarheid die in de diepste kern van de godsdiensten sluimert. Ze halen alleen de omhulsels voor jullie ogen weg en laten zien wat jullie niet meer weten te duiden als “godsdienst”, in nieuwe, duidelijk te begrijpen beelden. De naakte waarheid kunnen ze jullie nooit tonen, die moeten jullie zelf onthullen in de stilte, in jezelf.”

“Wat hier wordt gegeven, is een zekere leiding en elk woord van de leer is op echte werkelijkheid gebaseerd. Wie deze tot nu toe niet kon zien, kan leren deze te zien en de weg daartoe wordt hem getoond.”

“Ieder zal echter goed doen te bedenken dat deze zaken, die hem zo vreemd waren gebleven, werkelijkheden zijn die constant hun invloed uitoefenen, zelfs als hij er niets van weet, zelfs als hij hun werking niet zou willen erkennen. Zeker zal dat voor sommigen consequenties hebben, maar hij dient alleen zichzelf als hij de werkelijkheid voortaan breder ziet en zo zijn wereldbeeld verandert.”

“Vergeet ook niet dat ware wijsheid altijd werkelijkheid onderwijst en dat de leraren van wijsheid zich slechts bedienen van de aller eenvoudigste werkelijkheid.”

“Het uiterlijke aardse leven van de meester is alleen zijn eigen zaak en hij wil niet dat men de geest waarin hij werkt verwart met zijn verschijning op aarde. Hij wil niet dat zijn leerlingen eer betuigen aan de “persoonlijkheid”, die alleen toekomt aan de geestkracht waarvan hij de gids is geworden.”

“Hij leeft zichzelf bewust in de drie werelden die de wereld van de werkelijkheid verenigen: Het rijk van de fysiek-zintuiglijke beschouwingswijze, oftewel de fysieke wereld. Het rijk van de geestelijk-zintuiglijke aanschouwing, oftewel de wereld van de geest. Het rijk van de mystieke en occulte krachten van de eigenlijke “ziel”, dat wat ten grondslag ligt aan alle beschouwingswijzen en hun verschijningswerelden.”

“Hij is nooit in extase of in trance en hij houdt afstand van alles wat ‘mysterieus’ is; hij behoort anders niet tot ‘de schitterenden’.”

“Alles wat hij zal onderwijzen, is in alle omstandigheden de zuiverste waarheid; want het is gebaseerd op werkelijkheden die voor alle ingewijden in de ‘koninklijke kunst’ te allen tijde aanwezig zijn, bevrijd van alle mogelijkheden van bedrog van de uiterlijke zintuiglijke wereld. Voor speculaties is er in die hogere werelden geen plaats. Het zou niet, zoals in de aardse pogingen tot begrip, zijn dat “een waarheid” uit de andere voortvloeit. De waarheden staan daar als werkelijkheden voor aller ogen.”

“Geen echte ingewijde zal ooit de wijsheid van het licht, die hij verkondigt, ontwijden door pogingen tot ‘wetenschappelijke’ onderbouwing.”

“Wat hij onderwijst is om te worden ‘uitgevochten’ door daden en toewijding.”

“Wat hij als boodschap aan de zielen van de generaties die met hem op aarde leven, of het nu mannen of vrouwen zijn, heeft te geven, moet niet mentaal opgedeeld worden, maar spiritueel nageleefd worden, zodat de zoekenden de weg naar geest en de wereld van de werkelijkheid kunnen vinden.”

“We treden vandaag zelf naar voren als de enigen die in staat zijn de volledige waarheid over hun wereld van geest aan de mensheid te openbaren. Ik treed niet naar voren in mijn uiterlijke persoonlijkheid als leraar, maar geef jullie vanuit mijn geestelijke natuur kennis van een wereld waarin ik daar met mijn broeders leef, terwijl ik tegelijkertijd onder jullie, net als jullie, het leven van een mens op aarde leid. Ik geef jullie niet alleen mijn eigen herkenning, maar schrijf elk van mijn woorden in voortdurende overeenstemming met mijn broeders. Moge eenieder die deze woorden leest geheel afzien van de uiterlijke persoonlijkheid van de schrijver en slechts in zijn eigen hart het overeenkomende zoeken met wat hier geboden wordt.”

“Tot voor kort werden door de weinigen die deze leer kunnen leven en onderwijzen, oeroude wetten gerespecteerd die onder alle omstandigheden een openbare doorgeving van zelfs zo weinig aanwijzingen als ik verplicht ben te geven, verboden. Pas een soort ‘hervorming’ van de wetten, waaraan de vereniging gehoorzaamde, gesanctioneerd door de hoogste geestelijke machten van de hiërarchie, waarvan hun weinige leden op deze planeet de laagste trede vormen, kon daarin verandering brengen.”

“De leer, die ik hier, voor zover het mogelijk is, in begrijpelijke vorm aan de mensen van de westerse cultuurkring mocht voorleggen, wil op zichzelf beschouwd worden, hoe zeer ze ook, om begrijpelijk te worden, gebruik kan maken van oude, vertrouwde gewaden, bij haar reizen door de wereld zoals gewild door de vereniging van de Schitterenden van het Primaire Licht en hun geestelijke meerderen.”

“Wie haar wil vatten, moet de mening opgeven dat het hier gaat om een nieuwe variant van theosofische geloofsleer of de promotie van een van de systemen van oosterse filosofie.”

“De leer, waarvoor ik hier de spreker word, is uiterst zelden en altijd slechts fragmentarisch opgeschreven. De manuscripten waarin ze vervat is, zullen nooit toegankelijk zijn voor onbevoegden.”

“Wat we mogen zeggen, geven we graag aan de wereld, maar verder zijn we door kosmische wet verplicht tot eeuwige stilte.”

“In vroegere eeuwen stonden ook in het Westen veel belangrijke mensen in vrij nauwe relatie met onze gemeenschap – van filosoof tot veldheer, van monnik in zijn cel tot kardinaal aan het hof van de pausen.”

“In de tegenwoordige tijd zul je de mensen die met ons in geestelijke verbinding staan, meer in het wijde Morgenland moeten zoeken, en er zijn velen van hen die het niet prettig vinden dat de gemeenschap nu door mij in duidelijke taal weer tot de mensen van het Westen spreekt.”

“Dit moest gebeuren, en mij werd de opdracht daartoe, omdat in de landen van het Westen meer of minder vervormde, meer of minder sprookjesachtige geruchten over het bestaan van zo’n ‘broederschap’ de ronde deden en wel door goedgelovige mensen die wel konden aannemen met ons in verbinding te staan, omdat ze door vreemde heiligen, waarvan er in het Oosten allerlei soorten bestaan, tot dit geloof waren gebracht, nadat een vrouw, die een medium van de eerste orde was, van het bestaan van de ‘broederschap’ op de hoogte was geraakt.”

“Er zijn ook nog andere kringen in de wereld, die op hun uitgangspunten niet ver van ons stonden. We zien hun vertegenwoordigers vandaag op dwaalwegen en vergissingpaden. We moeten toekijken. We mogen alleen aan allen geven wat aan allen gegeven kan worden. We mogen alleen de weg tonen die naar onze invloedsfeer op geestelijke wijze leidt.”

“Ons persoonlijke gedrag in de uiterlijke wereld is gebonden door vele strenge wetten, zowel met handen als voeten. We zelf zouden in persoonlijke nabijheid minder kunnen geven dan sommigen die slechts onze leer kennen en begrepen hebben, zonder echter door onze wetten gebonden te zijn.”

“Van de weg die leidt naar de geestelijke invloedsfeer van de ‘broederschap’, van hun aard en hun kosmische samenhangen heb ik genoegzaam in mijn boeken gesproken.”

“Als je de weg wilt gaan, zul je ook zeker eens getuige kunnen zijn van het werk van de geestelijke krachten die als een organisch geheel worden geleid door de gemeenschap.”

“Ze vertrekken niet van ons! Wij zijn slechts hun geroepen gidsen en bemiddelaars!”

“Wie tot ons wil komen, zodat we hem geestelijk kunnen geven wat hij zoekt, moge een nuchter, vriendelijk, stil maar aards mens zijn. De hoge gemeenschap zal zeker in staat zijn hem te bereiken.”

“Hij zal in staat zijn hun geschenken te ontvangen op elke plaats op aarde, in elke toestand van uiterlijke leven, en des te eerder hoe meer hij zich inspant, in alles wat hij geestelijk nastreeft, zijn aardse plichten jegens zichzelf, zijn naasten in engeren zin en de mensheid in het algemeen te vervullen.”

“Als ik hier zo openhartig over al deze zaken spreek, doe ik dat om elke zoeker de mogelijkheid van een gezond oordeel te geven. Ik spreek over zaken die geen sluier nodig hebben, en over dingen waarvan in het belang van de zoekende zielen de sluier die ze om zich heen hebben gespannen, moet worden verwijderd.”

“Aan fijnere oren spreken de stemmen van alle eeuwen echter een duidelijke taal, en het kost niet veel moeite om vast te stellen dat het beginpunt van de leer tot in de nieuwste tijd overal werkzaam was, de eigenlijke inspiratieve bron vormend voor elke vereniging van mensen, die als hoogste doel het bereiken van de hoogste menselijke waardigheid voor ogen had.”

“Er zou hier nog veel meer te zeggen zijn, zaken die momenteel niet besproken mogen worden omdat ze door degenen die het aangaat zelf gevonden moeten worden.”

“Wie echter de vruchten wil oogsten die in de tuin van deze leer groeien, moet zijn hele leven omvormen tot een voortdurende ‘oefening’. Het nieuwe leven dat hij wil vinden, is reeds vervat in zijn dagelijkse leven, alleen ziet hij het nog niet.”

“Hij heeft het niet nodig om zich door ‘geheime leraren’ verdachte speciale oefeningen te laten geven; want zijn dagelijkse leven is zelf de enige effectieve ‘oefening’ van alle oefeningen, die het eeuwige oerlicht hem heeft gegeven te bewerken. In zijn dagelijkse leven, in de aller eenvoudigste vorm en zonder enige mysterieuze geste, zal hij zijn volmaaktheid vinden, maar nooit in ‘esoterische scholen’ en overmoedige kringen van vermeend ‘wetenden’, die hun onbeschaamdheid de rol van ‘leraren’ laat spelen, en aan wie enkel vergeving kan worden gevraagd omdat ze niet weten wat ze doen.”

“De geestelijke volmaaktheid vereist de volledige mens. Lichaam en ziel mogen bij zijn streven nooit gescheiden worden gevoeld. Er is niets lichamelijks, dat niet tegelijkertijd geestelijk zou kunnen worden gewaardeerd.”

“De volmaaktheid is een resultaat van het leven, niet de arbeid van messchers denken.”

“Verpersoonlijking van de geest is de sleutel, die de aardse boeien van de zoeker permanent zal losmaken, opdat hij als een vrij mens, als een zoon van het licht, over de aardbol kan wandelen.”

Uittreksel uit een brochure van E.v.O.

Geschreven door E.v. Oldenburg